Meer over erfelijkheid

Op deze website vindt u informatie over erfelijke aandoeningen. Dat zijn aandoeningen die van ouders op kinderen kunnen worden doorgegeven Maar hoe werkt dat precies? Hier vindt u een beknopte uitleg over hoe aandoeningen kunnen worden doorgegeven en waarom het zo belangrijk is dat fokdieren worden getest. Meer informatie vindt u in de documenten “Meer over erfelijkheid” en “Over de problematiek en oplossingen van erfelijke aandoeningen”.

Hoe een dier gebouwd is, zowel van binnen als van buiten, is grotendeels vastgelegd in de genen. Een gen is een soort mal. Met die mal worden eiwitten gebouwd, wat weer bouwstenen van het lichaam zijn. Een verandering in een gen kan zorgen dat er iets verandert in de bouwstenen.

De genen zorgen voor allerlei lichaamsfuncties. Ze bepalen bijvoorbeeld hoe lang een rug wordt of hoe kort een neus. Maar ook of een lichaam goed ziekten kan bestrijden, of dat een lichaam bijvoorbeeld gevoeliger is voor het ontwikkelen van kanker.

De genen liggen achter elkaar op de chromosomen. Van ieder chromosoom zijn twee exemplaren. Iedere diersoort heeft een vast aantal chromosomen, bij honden zijn dit er 78 (39 paren). Alle chromosomen samen vormen het DNA van de hond. Dit is het ‘erfelijk materiaal’.

Als er een fout in een gen zit, dan kan er iets misgaan bij het aanmaken van een eiwit. Was dat bijvoorbeeld een eiwit dat iets te maken had met de bouw van het hart, dan kan het zijn dat het hart niet goed zal werken. Was het een eiwit dat de kleur van de vacht bepaalt, dan kan het dier een andere kleur krijgen. En was het een eiwit dat de groei van cellen regelde, dan kan het zijn dat die groei verstoord raakt en er bijvoorbeeld tumoren ontstaan.